Muizenissen

Herrie. We leven in een maatschappij die continue herrie produceert. Vierentwintig uur per dag vliegen de decibels ons om de oren. Brommers met een foute uitlaat, een ambulance op weg naar haar patiënt, een blaffende hond, te laag overvliegende vliegtuigen, ongeduldige autobestuurders die claxonneren of een huis waar de muziek te hard aan staat. Dit zijn zo maar wat voorbeelden maar er zijn natuurlijk legio te noemen. Ik ben er wel aan gewend, weet ook donders goed dat je hier in de Randstad echt niet voor de rust hoeft te wonen, maar de laatste tijd zijn er lawaaimakers bijgekomen, namelijk de grastrimmers (?), straatvegers en bladblazers en zuigers. Deze categorie is namelijk gemotoriseerd. Ging het voorheen nog met een zeis, een schoffel, een bezem en een stoffer en blik en was de gebruikelijke houding die het straatbeeld sierde een arbeider die leunde op zijn werktuig, tegenwoordig doen ze het alleen nog maar met apparaten. Het gras wordt gemaaid met een grastrimmer, de struiken gesnoeid met een heggenschaar en de bladeren worden naar een punt geblazen en daarna opgezogen. Handige apparaten, draaiend op benzine motoren, dat wel, maar wat een klere herrie maken die dingen! Ze beginnen natuurlijk al vroeg in de ochtend en je hoort én ziet ze al van ver aankomen, continue gasgevend want anders slaat de motor af, kennelijk, en gekleed in futuristische oranje pakken met helm, oog en oorbeschermers. En natuurlijk altijd op dagen als jij net kan uitslapen, zelfs op zaterdag. Ooit was de zaterdag de dag dat je boodschappen deed, de tuin onkruidvrij maakte en het grindpad aanharkte. Het was de dag voor ‘de Dag des Heren’, de werkelijke rustdag van de week, en moest je toch werken die dag dan kreeg je daar extra toeslagen voor. Toeslagen die ooit afgedwongen waren door onze voorvaderen maar die stukje bij beetje steeds meer worden afgeschaft, zogenaamd om de economie draaiende te houden want anders worden we te duur voor de baas. Maar het groen, het beetje groen wat we nog hebben, ziet er wel gelikt uit dus wat zeur ik nou. Het geeft ook leven in de brouwerij. Ik beken ook dat ik soms zelf de herrie opzoek. In plaats van de ontvangst van de Olympische medaillewinnaars in alle rust op teevee te volgen stapte ik op de fiets met mijn familie en klopten wij aan bij het huis van onze Koningin. Ze deed niet open want ze had al visite. Drie busladingen sporters waar wij zo van genoten hebben sierden het bordes. Even later gingen ze naar Het Binnenhof en ook daar wachtten hen een warm onthaal. Ik was nog steeds erg onder de indruk van de waterpolosters en hun badpakken en van Maarten van der Weijden’s triomftocht. Mijn vrouw was eigenlijk voor alle sporters en de jongens ook, hoewel ééntje wel erg veel aandacht van de mannen kreeg, namelijk het meisje van de Hockeyploeg, die met die moeilijke achternaam: Fátima Moreira de Melo. Toen het hele gezelschap op de laatste klanken van Viva Hollandia de Ridderzaal in gepolonaised waren, bekeken wij Het Binnenhof en brachten een bezoek aan de Gevangenpoort.
Er ging weer een wereld open. Op de terugweg, na een overheerlijk Italiaans ijsje, betraden wij weer Het Binnenhof en troffen tot onze grote vreugde de sporters weer die net klaar waren in de Ridderzaal. Het publiek was nu flink geslonken dus we konden nu heel dichtbij komen, zo dichtbij dat er zelfs om handtekeningen gevraagd kon worden. De eerste sportster die dat deed vroeg aan de jongens, na het zetten van de handtekening, of ze wel wisten wie zij was. “Euh…nee, eigenlijk niet”. Ik wist het ook niet en voelde het schaamrood opkomen. Maar ze begreep het wel en stelde zich vervolgens met een stralende lach voor als Lobke Berkhout. Ik ga nu een fanclub voor haar oprichten. Even later kwam ze dan eindelijk, dé Fátima, en na de handtekening kwam zelfs nog een foto. Joelend en opgewonden zingend fietsten we even later naar huis en zwaaiden vrolijk naar een man in een oranje pak met een stofzuiger om z’n nek, bezig de achtergelaten confetti op te zuigen. Alles weer netjes voor een nieuwe dag! Arjen Veldhuizen